Opeenstapeling van fouten rond jeugdzorg in Lelystad

Lelystad - Er is veel misgegaan rondom de jeugdzorg in Lelystad tussen 2014 en 2020. Dat concludeert de Rekenkamer in het rapport ‘Code rood voor de jeugdzorg’.

Onderzoek

De Rekenkamer is een onafhankelijke instantie die het functioneren en de effectiviteit van de gemeentelijke besluitvorming controleert. Zij heeft een onderzoek ingesteld naar het functioneren van de gemeente, het college en de gemeenteraad rondom het dossier jeugdzorg. Dat gebeurde op verzoek van de gemeenteraad, die in november besloot om zo’n onderzoek te vragen.

Er worden al jaren forse tekorten geleden op de uitvoering van de jeugdzorg, nadat deze in 2015 is gedecentraliseerd van het Rijk naar de gemeente. De gemeenteraad vroeg echter ook om een onderzoek omdat enkele fracties twijfelden aan de daadkracht en kunde van de vorige colleges en wethouders op dit dossier.

Fouten in uitvoering

In de uitvoering rond de jeugdzorg is veel mis gegaan, stelt de Rekenkamer. ‘De keuzes die de gemeente Lelystad na de decentralisatie heeft gemaakt voor de inrichting en organisatie van de jeugdhulp in Lelystad, hebben er uiteindelijk toe geleid dat het gemeentebestuur meer op afstand kwam te staan, minder grip en steeds minder sturingsmogelijkheden had. In de hele onderzoeksperiode hebben diverse betrokkenen vele fouten gemaakt.

‘Gedurende de onderzochte periode verliep de samenwerking omtrent jeugdhulp niet altijd goed: diverse betrokkenen hebben vele fouten gemaakt. Deze fouten werden vooral veroorzaakt door een gebrek aan duidelijke en concrete keuzes van het gemeentebestuur. Daardoor ontspoorde de uitvoering van de jeugdhulp in Lelystad. Er is niet één partij geweest die duidelijk de overhand heeft gehad in dit ‘systeemfalen’,’ concludeert de Rekenkamer in haar rapport.

(Te) rigoureuze ingrepen

Maar ook het handelen van de gemeentebestuur in dit dossier verdient op z’n minst gezegd geen schoonheidsprijs. ‘De manier waarop de samenwerking in de jeugdhulp door de jaren heen is vormgegeven en ingericht, wordt gekenmerkt door rigoureuze ingrepen waarbij de organisatievorm bij herhaling op de schop is gegaan, zonder een duidelijke analyse vooraf en zonder een zorgvuldig verbetertraject vorm te geven. Ook was er, naarmate de tijd verstreek, steeds minder aandacht voor het betrekken van belanghebbenden bij belangrijke en ingrijpende wijzigingen in het stelsel.’

Het rapport is met name hard voor de gemeenteraad zelf. ‘Raad en college werkten ook niet altijd op een constructieve manier samen. De raad stelde te abstracte en veelomvattende kaders, die daardoor niet altijd goed uit te voeren waren door college, ambtelijke organisatie en zorginstellingen. Op de uitvoerbaarheid van de kaders werd (te) weinig getoetst. De raad maakte zijn verwachtingen ook niet altijd duidelijk en was niet altijd eenduidig in zijn wensen. De raad leek vooral te willen laten zien dàt hij daadkrachtig ingrijpt. Door een gebrek aan duidelijke, concrete kaders en samenhang bleef het door de raad gewenste effect geregeld uit. Te ruime kaders maakten controle door de raad ook lastig.’

Onderlinge verhoudingen

Daarnaast is het feit dat de bestuurlijke verhoudingen tussen raad en college en raadsfracties onderling steeds verder zijn gepolariseerd. ‘De steeds verdergaande polarisering tussen raad en college had nadelige effecten, bijvoorbeeld op het tijdig signaleren van problemen of de mate waarin raad en college konden monitoren en bijsturen. Toenemende polarisering bemoeilijkte het maken van politieke keuzes en het delen van informatie, hetgeen de positie van de raad uiteindelijk kan verslechteren. Raad en college zouden ervoor moeten waken dat de verhoudingen tussen raadsfracties onderling en tussen raad en college niet zodanig op scherp komen te staan, dat dit het vinden van oplossingen voor maatschappelijke problemen in de weg staat.’

Beperkt nagedacht

Ook met de oprichting van JEL (Jeugd Lelystad), de nieuwe organisatie die gaat over het doorverwijzen van jongeren met problemen naar professionele zorg, is het probleem nog niet opgelost. ‘Over de invulling is op voorhand beperkt nagedacht. Ook hier ontstaat het beeld dat het belangrijker is dát de gemeente ingrijpt dan dat er zorgvuldig en doordacht wordt verbeterd. Positief in de realisatie van JEL is in ieder geval dat hiermee een duidelijkere rolscheiding is ontstaan, in de zin dat toeleiding/indicatie en aanbieden van zorg niet meer in één hand liggen. Onduidelijk is echter nog steeds hoe de gemeente meer in control komt ten aanzien van JEL, want opnieuw wordt JEL op afstand gezet.’

Aanbevelingen

De Rekenkamer heeft een tiental aanbevelingen voor verbeteringen. Er moeten betere afspraken met JEL worden gemaakt, die ook gaan over de inhoud, de relaties en het proces: heldere en concrete afspraken worden gemaakt, die ook toets- en controleerbaar zijn.

De bij de uitvoering van de jeugdzorg betrokken instanties moeten meer worden betrokken bij het beleid en de door de gemeenteraad en het college gestelde kaders moeten getoetst worden op uitvoerbaarheid en controleerbaarheid om te voorkomen dat onhaalbare eisen gesteld worden. ‘De gemeenteraad kan daartoe het college verzoeken deze toets te doen, maar kan ook af en toe zelf belanghebbenden of experts uitnodigen om zich nader te laten informeren.’

De gemeenteraad moet verder haar controlerende taak beter oppakken, maar dat moet niet elke keer leiden tot rigoureuze ingrepen. ‘Ingrijpen moet in het teken staan van het oplossen van geconstateerde problemen, niet in het afrekenen met het verleden.’